Oud-Stuivekenskerke (O.L.-Vrouwhoekje)  België.
Karabiniers Wielryders 1914- 1918 Memorial.
Oud-Stuivekenskerke (O.L.-Vrouwhoekje) België.

Op het gehucht Oud-Stuivekenskerke, nu het Onze-Lieve-Vrouwehoekje, stond tot in 1870 de parochiale kerk van Stuivekenskerke. Tijdens de oorlog was Oud-Stuivekenskerke een vooruitgeschoven stelling van het Belgisch leger. De oude toren van de vroegere parochiale kerk werd als uitkijkpost gebruikt.  Vandaag bestaat dit herdenkingsoord uit de kapel Onze-Lieve-Vrouw ter Zege (1925), het puin van de verwoeste kerktoren met oriëntatietafel die 35 belangrijke plaatsen uit de oorlog aanduidt, twee grote monumenten voor de gesneuvelden, 41 gedenkzuiltjes van de militaire eenheden die deelnamen aan de Slag aan de IJzer, en een demarcatiepaal (Frans: borne Vauthier) met bovenop een Belgische Adriaanhelm. De borne Vauthier is een gedenksteen die in Frankrijk en België bij benadering aangeeft tot waar het Duitse Westfront reikte tijdens de Eerste Wereldoorlog. In totaal werden in de jaren ‘20 118 demarcatiepalen geplaatst, van Nieuwpoort aan de Noordzee tot Moosch in de Elzas. Er zijn 96 van deze stenen bewaard gebleven.

 

Op het Onze-Lieve-Vrouwehoekje gedenkt één van de monumenten het 1e en het 2e bataljon karabiniers-wielrijders.

 

 

In de septemberdagen van 1830 nam het vrijkorps “Chasseurs de Bruxelles” deel aan de gevechten in Brussel. Op 1 november 1830 werd het 1e Regiment Jagers te Voet opgericht, de kern bestond uit de Jagers van Brussel. Dit regiment werd in 1831 aangevuld door de inlijving van twee bataljons tirailleurs en een vrijkorps. In 1836 werd het Partizanenkorps van Majoor A. Capiaumont ingelijfd. Heel het regiment werd met karabijnen bewapend en kreeg haar typische uniform: een groene tuniek met gele versieringen, geel wollen vangsnoer, grijze broek, een vereenvoudigde Poolse muts en Corsicaanse hoed, een zwarte gordel met patroontas. Bij de reorganisatie van het leger, door Koninklijk Besluit van 9 juli 1847 kreeg dit van nauwkeurig schietend en beweeglijke regiment lichte infanterie de naam “Regiment Jagers-Karabiniers”, het nummer 1 bleef behouden.  De organisatie op oorlogsvoet voorzag de splitsing in afzonderlijke compagnies. Bij de volgende reorganisatie, door K.B. van 5 maart 1850, kreeg het regiment de naam “Karabiniersregiment” met nog altijd het nummer 1. Het regiment bestond nu uit vijf bataljons waarvan vier actieve. Bij de reorganisatie 1902 werd er bepaald dat de vier bataljons lichte infanterie voor de vier legerdivisies bestemd waren.

 

De eerste fietsen in het leger; vanaf 1875 gebruikte het Italiaanse leger velocipedisten (wielrijders) om vlugge verbindingen te verwezenlijken. Na 1880 volgden er testen in verschillende legers, bv. Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland en Frankrijk. Leden van de “Union vélocipédique française” namen in 1886 als reservisten deel aan de herfstmanoeuvres en werden belangrijke boodschappers. Vanaf 1889 stonden in ieder Frans infanterieregiment vier velocipedisten op de organisatietabellen. Op 11 november 1890 gaf de Belgische Minister van Oorlog aan Kapitein H. Soled de toestemming om een sectie wielrijders te vormen in de regimentsschool, in Waver. De negen „vélocipédistes militaires”, onder bevel van onderluitenant P. Kesseler, zouden vlugge estafettes worden. Het nieuwe reglement voor de velddienst beperkte hun rol tot post- en telegramdienst, planton- en verbindingsdienst.

 

 

Luitenant G. Beirlaen van het Regiment Karabiniers, beoefenaar van de wielersport en hoofdredacteur van het tijdschrift “La Pédale militaire” kon de nieuwe Minister van Oorlog overtuigen om een experiment te wagen met een strijdende wielrijderseenheid. Het Ministeriële Besluit van 10 augustus 1896 bepaalde dat er een tijdelijke compagnie van 120 wielrijders afkomstig van verschillende regimenten werd opgericht. De compagnie van luitenant Beirlaen kon gedurende de manoeuvres van de 3e Legerafdeling de militaire autoriteiten overtuigen. Aansluitend werd hij naar Frankrijk gestuurd, naar het infanterieregiment waar Kapitein Gérard de plooifiets (vélo-pliante Gérard) uitvond en invoerde. Zijn rapport aan de minister van Oorlog Jules Vandenpeereboom, over de organisatie en uitrusting van wielrijderseenheden, werd gunstig onthaald. Ook bij de grote manoeuvres in 1897 werd er een wielrijderscompagnie ingezet. In 1898 werd elke 4e compagnie van de vier bataljons Karabiniers tot een wielrijderscompagnie omgevormd. Deze vier compagnies beschikten over vouwfietsen Belgica, naar het systeem van Kapitein Gérard. Bij de cavalerie-eenheden kregen ze hoofdzakelijk beveiligings- en verkenningsopdrachten toegewezen. Om te trainen werden de pelotons, circa vijftig man sterk, onderverdeeld in secties. Elk peloton kreeg begeleiding van een arts, mecaniciens en een vrachtwagen.

Vaste richtlijnen en doelstellingen kwamen er pas in 1906, met de “Instruction pour les Compagnies Cyclistes”. Bij elke oefening werd voortaan ongeveer 60 kilometer afgelegd, tegen een gemiddelde snelheid van 12 kilometer per uur. Wel waren op het parcours telkens enkele passages voorzien die ze te voet moesten afleggen, met de fiets naast zich of op de schouder, dit steeds in volledige uitrusting, geweer incluis. Er waren ook driloefeningen, waarbij ze op bevel de fiets vouwden, op de schouder gooiden, weer ‘ontvouwden’ en vertrekkensklaar op de grond plaatsten. Als instructie gold dat de gevouwen fiets met de wielen naar links, het tandwiel naar rechts en het zadel achter de linkerschouder moest worden gedragen.

Bij de reorganisatie van de infanterie, door het K.B. van 12 juni 1911, werden vanaf 01 oktober 1911 de vier compagnies wielrijders in één bataljon gegroepeerd: het 5e bataljon van het Karabiniersregiment. Bataljonscommandant Majoor Stafadjunct J. Collyns trainde de infanteriewielrijders die nu de fiets niet meer plooiden en aan hun muts een klep kregen.

Bij de volgende reorganisatie, door het K.B. van 11 november 1913, werd het bataljon Karabiniers-Wielrijders zelfstandig vanaf 15 december 1913 en kreeg het de naam “ Bataillon de Carabiniers Cyclistes”. Het werd bevolen door Majoor E. Siron en bestond uit een staf, drie compagnies wielrijders en een sectie lichte mitrailleurs. Het Bataljon behoorde nu tot de Cavaleriedivisie en had zijn garnizoen in Vilvoorde. Het Bataljon Karabiniers-Wielrijders werd bij de mobilisatie aangevuld. Op 3 augustus 1914 werd het Bn. naar Gembloers gestuurd. Ze vertrokken uit Vilvoorde op de tonen van vaderlandse liederen.

 

 

Vanaf 4 augustus 1918 voerde het verkennings- en beveiligingsopdrachten uit aan de Jeker en daarna aan de Gete. Op 12 augustus zou het een belangrijke rol spelen in de slag bij Halen. In de morgen van 12 augustus stond de 3e compagnie in Halen en de sectie lichte machinegeweren (MG), het 3e peloton en de twee MG’s ten noorden van de Getebrug, het 1e peloton ten zuiden van die brug, het 2e peloton bevond zich in reserve bij het station. De 1e compagnie bevond zich bij Loksbergen, de 2e compagnie bezette Zelk, het 3e peloton stond in Drieslinter. Omstreeks 08u10 werd een Duitse ruiterpatrouille bij de Getebrug onder vuur genomen. Rond 08u30 begon het vuurgevecht tussen de 3e compagnie en de voorhoedes van de 4e Duitse Cavaleriedivisie. De commandant van de Belgische Cavaleriedivisie stuurde om 09u35 twee pelotons van de 1e compagnie ter versterking, die moesten zich ten zuiden van de 3e compagnie gaan opstellen. Om 10u00 lag Halen onder zwaar artillerievuur, Duitse Jagers staken de Gete over. Majoor Siron leidde de verdediging maar de vijf pelotons moesten wijken wanneer ze vanuit de flank bedreigd werden. Omstreeks 10u30 lagen ze achter de spoorweg opgesteld. De 1e compagnie ten noorden van de overweg naar Loksbergen, de sectie MG aan de overweg, de 3e compagnie ten zuiden ervan. Daar moesten ze proberen om zolang mogelijk stand te houden, tot er versterking kwam.Om 11u30 rukten Duitse eskadrons op door Halen, ze werden er onder vuur genomen door de Cyclisten (wielrijders) en door de artilleriebatterij die vuurde van op de Mettenberg.

 

De Duitse Jagers rukten verder op, de Cyclisten werden in de flanken bedreigd en moesten zich rond de middag westwaarts terugtrekken. Majoor Siron wou de pelotons laten aansluiten op de stelling van de Lansiers, aan de IJzerwinning, maar een stafofficier van de Cavaleriedivisie beval een opstelling aan de Betserbaan. Uiteindelijk stelden de Cyclisten zich tussen de twee op. In de velden op ongeveer 300 m ten westen van die holle weg en 400 m vóór de Lansiers. De twee pelotons van de 1e compagnie stonden ten noorden van de IJzerbeek, de 3e compagnie en de sectie MG ten zuiden ervan.De Duitse Jagers bereikten de uitgangen van Halen en namen de Cyclisten onder vuur. De Belgische artillerie hinderde het oprukken van de Duitsers, daarom beslisten de Duitsers om hun ruiterij te laten chargeren. De twee pelotons van de 2e compagnie hielpen in Zelk om de eerste stormloop te stuiten. De tweede stormloop botste omstreeks 13u00 op de 1e compagnie die zich naar de derde stelling terugtrok. De 1e en 3e compagnie lagen in graanvelden en kregen zes stormlopen over zich heen, dit door drie Cavalerieregimenten. Sommigen werden letterlijk uiteen gereden door de cavaleriepaarden, ze leden verliezen in de gevechten maar bleven toch ter plaatse.Daarna rukten de Duitse Jagers opnieuw verder op. De overblijvende Cyclisten moetsen nu ook wijken en trokken terug naar de lijn van de Lansiers waar de strijd zou voortgezet worden tot bij de aankomst van de 4e Gemengde Brigade. Omstreeks 15u00 werden de restanten van de pelotons Cyclisten uit de vuurlijn genomen. Door deze acties bij Halen kreeg het van de Duitsers de bijnaam „Schwarze Teufel” (Zwarte Duivels).

 

Het bataljon Zwarte Duivels nam verder nog deel aan de operaties vóór Antwerpen, te Werchter, te Aarschot, en Aalst, gaf het bataljon blijk van dezelfde opofferingsgeest. Ze hielpen ook om de aftocht dekken en streed mee in de slag aan de IJzer.

 

Op 28 januari 1915 werd het Tweede Bataljon Karabiniers-Wielrijders gevormd uit eenheden die zich al verdienstelijk gemaakt hadden. Onder het bevel van Majoor A.-E.-M. Dubois werkte het onderscheidenlijk mee aan de verdediging van al de sectoren van het Belgisch front:

  • Knokke, met de 2e L. D. (legerdivisie)
  • Diksmuide, met de 6e en de 4e L. D.
  • Noordschoote-Lizerne, met de 2e L. D.
  • Blauwvoetbrug-Berkelhof, met de 4e L. D.
  • Steenstraat, met de 5e L. D.
  • Nieuwcappelle, met de 6e L. D.

 

Eind oktober 1917 en in samenwerking met de uiterste linkervleugel van het Franse leger van generaal Anthoine konden ze het schiereiland Luigem-Vijfhuizen veroveren, dat was het eerste teruggewonnen stukje Belgische grond.

 

Gedurende de loopgravenoorlog in West-Vlaanderen vervulden de beide bataljons Zwarte Duivels plichtsbewust hun opdrachten. In de overstroomde IJzervlakte ten N van Diksmuide hadden de Belgen vóór hun eerste linie (de spoorwegbedding Nieuwpoort – Diksmuide) verschillende voorposten ingericht, die groeiden op belangrijke punten uit tot grote wachtposten. Deze verdedigingspostjes waren ingericht op een stukje vaste grond dat uit de overstromingen stak. In een grote wachtpost kon ca. 100 man verblijven, van waaruit men dan de kleinere voorposten in het overstroomde gebied kon bemannen. Men bereikte deze voorposten via een systeem van passerellen en loopgraven. Aan de Reigersvliet waren er twee grote wachtposten: “Grote Wacht Reigersvliet” (“Grand Garde Nord”) en “Grote Wacht Oud-Stuv” (“Grand Garde Sud”) samen met de kleinere voorpost aan de Smisse vormden die een voorlinie tegen de Duitse vooruitgeschoven posten Vicogne, Kloosterhoeve, de Toren en Hoeve Vandewoude vormden. Geleidelijk aan ging men de grote wachten uitbreiden met schuilplaatsen en luisterposten. In 1918 bestond de Noordelijke Grote Wacht uit twee loopgraven aan de westelijke waterkant van de Reigersvliet, enkele loopgraven vormden het bruggenhoofd aan de overkant en vóór de versterkte hoeve Reigersvliet lagen er zeven kleine voorposten in waaiervorm opgesteld.

 

 

In maart 1918 ontwaakte het front. De vijand overwoog het opnieuw om Calais te bereiken en had besloten om de twee grote wachtposten te veroveren. Hier zouden enkele gevechten geleverd worden die beslissend waren voor het behoud van de voorposten aan de Reigersvliet. Na enkele weken van artilleriebeschietingen zouden de Duitsers op 6 maart de stellingen aan de Reigersvliet aanvallen. Op dat moment was de defensie van de sector Oud-Stuivekenskerke in handen van de Cavaleriedivisie. Om vijf uur bestookten de vijandelijke kanonnen de vestingwerken en de achterliggende stelling met een hels vuur. Om kwart na vijf stormden de Duitse troepen voorwaarts. Bij Oud-Stuivekenskerke konden de mitrailleurs van de 2e compagnie van het 2e bataljon Karabiniers-Wielrijders de Duitse aanval breken. De stelling bleef behouden. Bij de Reigersvliet moesten de verdedigers achteruit en kwam de stelling grotendeels in Duitse handen. De Duitsers veroverden al de kleine posten met uitzondering van een loopbrug over de Reigersvliet en de bevelpost, waar Commandant Brennet en enkele mannen heldhaftig weerstand boden. Om zes uur was de toestand kritiek. Gelukkig nam generaal De Blauwe, de bevelhebber van de 2e cavaleriedivisie, een snelle beslissing. Hij wou de vijand geen tijd gunnen om het veroverde gebied in te richten, het verloren terrein moest zo rap mogelijk teruggenomen worden, dus in volle dag. De tegenaanval werd voorbereid en gesteund door de artillerie van de 2de cavaleriedivisie, onder bevel van Majoor Verhavert. Het was rond de middag dat de eigenlijke aanval begon. De vijand was volledig verrast door deze aanval en verdedigde zich hardnekkig. Doch de gearriveerde versterkingen, waaronder o.a. ook twee pelotons patrouilleurs van de cyclisten (van het 1e en 2e bataljon), konden de verloren posten heroveren. Vóór het avond werd was alles heroverd.

 

In de morgen van 18 maart 1918 kwam een nieuwe dubbele aanval. Bij Reigersvliet konden de verdedigers standhouden, een tegenaanval door het 5e regiment Lansiers kon de grote wachtpost ontzetten. Grote Wacht “Oud Stuv” werd bezet door de 3e compagnie van het 1e bataljon Karabiniers-Wielrijders, maar door de Duitse druk moesten ze achteruitwijken. Door de contra-attaque van de 2e compagnie van hetzelfde bataljon werd Oud-Stuivekenskerke echter herwonnen.

 

Ook tijdens het eindoffensief zouden de karabiniers-wielrijders zich onderscheiden. De mannen van het 1e bataljon Zwarte Duivels reden met te zwaar geladen fietsen op onbruikbare wegen of over omgewoelde velden richting Torhout. Vermoeid trokken ze in de morgen van 17 oktober 1918 de stad binnen en maakten veel krijgsgevangenen. Dezelfde avond drongen ze nog door tot aan de poorten van Brugge. Op 19 oktober bij een nachtelijke aanval veroverde het de gemeente Knesselare en namen opnieuw krijgsgevangenen. Op 2 november ‘18, achtervolgde het de vijand vanaf het afleidingskanaal tot op de boorden van de vaart Gent-Terneuzen. Op 3 november verjoeg het de vijand uit Wippelgem en dwong de vijand, samen met het 4e regiment Lansiers, om zich op de rechteroever van de vaart terug te trekken.

 

 

Gedurende de eerste dagen van oktober 1918 was het 2e bataljon te Oud-Stuivekenskerke. Op 16 oktober bevond het bataljon zich als voorwacht van de cavaleriedivisie ten noorden van Lichtervelde, ze namen een aantal krijgsgevangenen. De volgende dag trok het in volle snelheid door de bevrijde gewesten. Het bataljon arriveerde in Jabbeke, stak de vaart van Brugge over en nam met geweld drie mitrailleurs buit en ook 25 Duitsers gevangen. Twee dagen later nam het vóór Knesselare, samen met een eenheid van de Gidsen, deel aan den aanval tegen Maldegem. De Duitsers hadden besloten om de linie langs de afleidingsvaart van de Leie te verdedigen, op 21 oktober kreeg het 2e bataljon het bevel om de Rapenbrug aan het Schipdonkkanaal aan te vallen. Na een gevecht van twee uren lukte het bataljon er in om de vaart over te steken en een bruggenhoofd in te richten dat het gedurende twee dagen behield en dat niettegenstaande de menigvuldige tegenaanvallen van Duitse marine infanteristen. Het 2e bataljon telde in de laatste 10 dagen 95 doden en gewonden. Na enige dagen rust vertrok het naar Gent en vocht voor Evergem. De 10e november, te Eerstestraat, bij Eeklo, ontving het bataljon het bevel om opnieuw vooruit te rukken, maar toen werd de wapenstilstand getekend!

 

Na de wapenstilstand namen de Zwarte Duivels ook deel aan de bezetting in Duitsland.

 

 

 

 

Meer artikels
Cimetière Militaire Russe et Chapele St. Hilaire. 10-04-2017
Saint-Hilaire-le-Grand Frankrijk.

In Moskou werd er in 1916, tijdens een ontmoeting van de Franse senator Paul Doumer met tsaar Nicolaas II, afgesproken dat een Russisch expeditiekorps de Franse gelederen zou versterken.

lees meer ...
Het monument voor het Portugese Expeditiekorps. 02-04-2018
La Couture Frankrijk.

Op 24 februari 1916 enterde Portugal op verzoek van de geallieerde Britten 36 Duitse koopvaardijschepen die in de Portugese havens voor anker lagen.

lees meer ...
Cabaret Rouge British Cemetery. 26-09-2016
Souchez Frankrijk.

Voor de oorlog stond er dicht bij de plaats waar de Britten een militaire begraafplaats zouden aanleggen een café.

lees meer ...